“Mijn achtergrond is bedrijfskundige, ik ben geen scheepsbouwer van huis uit. Ik heb altijd gewerkt als technisch bedrijfskundige; dan weet je heel weinig van heel veel dingen. Het is een brede opleiding. Ik heb in Eindhoven gestudeerd en later een tijdje in Engeland. Je weet dan van veel aspecten binnen een bedrijf iets af en je leert het totaal goed te overzien, je leert veel van processen en productietechnieken, verbeteringen, de financiële kant van bedrijven – echt een voorbereiding op managementachtige functies. Die achtergrond heb ik altijd gecombineerd met mijn hobby: bootjes. Ik vond het leuk om te zeilen in zeilbootjes, om die dingen zelf te bouwen. Het feit dat ik hier zit is niets meer dan een uit de hand gelopen hobby. Het begon met studentenadviesbedrijfjes en later heb ik ook een adviesbedrijf met anderen opgericht in de maritieme sector: in het begin met name jachtbouw, dat ging steeds meer richting grote, luxe jachten en later naar de scheepsbouw. Er kwamen steeds meer mensen in dienst en we waren steeds meer met personeelsmanagement bezig dan met het vak wat we juist zo leuk vonden: naast de managers van werven staan en ze begeleiden. We besloten ons tentje te verkopen en om veel zelfstandiger te gaan. Ik ben vervolgens een tijdje als interim gaan werken en de laatste klus die ik deed hiervoor was in Engeland, op een jachtbouwwerf een reorganisatie leiden met een behoorlijke uitbreiding.”
Naar De Hoop
“Toen werd ik benaderd door een headhunter voor een carrière bij de Hoop. Ze waren op zoek naar een financieel/algemeen directeur. 2004 was een rommelige periode voor De Hoop. De werf was in de jaren 90 overgenomen en ging eigenlijk zo goed dat er voldoende werk was voor een tweede werf. Die werd gekocht in Heusden in 1999, een werf van vergelijkbare grootte. In 2001 werd er nog een derde werf aangekocht in Amerika, Louisiana. In twee, drie jaar was er dus een verdrievoudiging van het concern. Dat betekende voor die eigenaar dat hij meer in het vliegtuig zat dan op de grond met drie aandachtspunten. Er werden enorm veel schepen gebouwd maar het was een hoop logistiek. In het begin ging dat heel goed, er werden heel hoogwaardige schepen gebouwd, maar men verloor grip. Begin 2000 was de markt helemaal niet zo sterk, het bedrijf kreeg het steeds moeilijker met als kernprobleem de integrale aansturing van de grote werf. Ik was een bedrijvendokter, dus dat sloot goed aan en was juist op zoek naar werk waarop ik kon doorbouwen op wat ik had ingezet, in plaats van een interim-functie.”